DIVIDENDEN en de apotheekvennootschap

DIVIDENDEN en de apotheekvennootschap

DIVIDENDEN en de apotheekvennootschap

Dat een dividenduitkering vandaag een interessante vorm is om gelden aan de apotheekvennootschap te onttrekken is een feit. Bijkomend is er sinds aanslagjaar 2019, dit is inkomstenjaar 2018 m.a.w. de aangifte waar menig belastingplichtige vandaag mee bezig is, een mogelijkheid om een vrijstelling van roerende voorheffing op het dividend te ontvangen. Kortom bruto is netto. Wel niet vergeten dat alvorens een apotheekvennootschap een dividend uitkeert deze vennootschap wel eerst vennootschapsbelasting heeft moeten betalen. Maar vermits de vennootschapsbelasting gedaald is, blijft het een interessante vorm.

Om van het kmo-tarief vennootschapsbelasting te genieten, moet aan een aantal voorwaarden voldaan zijn én (dus cumulatief) moet het een zogenaamde kmo zijn.  Hierop gaan we verder niet in, maar voor het overgrote deel van apotheekvennootschappen is dit veelal geen probleem.

Wel is het zo dat er, zoals vermeld, bij dividenduitkeringen een gecumuleerde fiscale druk is (vennootschapsbelasting én roerende voorheffing). Wat misschien doet denken dat een dividenduitkering toch niet erg voordelig is. Maar dit is echter niet (altijd) het geval (zie verder). Temeer dat ondertussen de zogenaamde 13%-regel afgeschaft werd of anders gezegd: voorheen was het zo dat wanneer de apotheekvennootschap een dividend uitkeert van meer dan 13% van het gestort kapitaal deze apotheekvennootschap het zogenaamde verlaagd tarief verliest. Maar deze beperking behoort ondertussen tot het fiscaal verleden en werd afgeschaft.

Welk tarief roerende voorheffing is van toepassing op een dividenduitkering?

Het principe is dat op een dividenduitkering 30 % roerende voorheffing dient te worden ingehouden (zogenaamde bronheffing). Zoals reeds vermeld heeft het Zomerakkoord de beperking van een dividenduitkering om het kmo-tarief niet te verliezen, afgeschaft.

Wat is de totale kostprijs van een dividenduitkering, ook rekening houdende met het Zomerakkoord?

Maar ondertussen kan een dividend vrijgesteld worden van elke vorm van roerende voorheffing of anders gezegd een deel van de belaste winst (aan 20,40%) kan aan de vennootschap onttrokken worden zonder dat er nog bijkomend een taxatie van toepassing is. Dit is één van de maatregelen geweest in het kader van de zogenaamde ’taxshift’.

EERSTE (nieuwe) VERMINDERING VAN ROERENDE VOORHEFFING

Concreet is er op basis van deze gewijzigde regelgeving een vrijstelling van roerende voorheffing voor een schijf van 640 euro aan dividenden (voor aanslagjaar 2019).

Ondertussen werd dit bijkomend nog verhoogd tot 800 euro (voor aanslagjaar 2020). Voor een gehuwd koppel kan dit ook een verdubbeling betekenen. Het huwelijksstelsel (voor gehuwden) zal hier ook zijn belang hebben. Denken we maar een gehuwd koppel (gemeenschappelijke aangifte/aanslag) onder het wettelijk stelsel en de aandelen behoren tot het gemeenschappelijk vermogen of het eigen vermogen van één van de partners. De helft ervan is voor de andere partner (zie Circulaire AOIF 15/2005) dd. 14.04.2005). Voor gehuwden onder scheiding van goederen of wettelijk samenwonenden speelt deze regel niet en zal de vrijstelling enkel kunnen genoten worden wie het dividend heeft ontvangen. Hetzij maar één van de partners of ieder de helft indien in onverdeeldheid of als men beide aandeelhouder is.

Let wel deze vrijstelling voor dividenden werd/wordt echter niet automatisch toegepast door de schuldenaar van het dividend (dit is in casu de apotheekvennootschap) bij de inhouding van de roerende voorheffing. De dividenden blijven immers integraal onderworpen aan de roerende voorheffing. De belastingplichtige zal de vrijstelling zelf moeten vragen in zijn aangifte personenbelasting. Dit zal dienen te gebeuren  door uitdrukkelijk de verrekening en eventueel de terugbetaling van de roerende voorheffing, die werd ingehouden op de eerste schijf van 640 EUR aan dividenden, in de aangifte te vragen.

Bijkomend moeten de nodige bewijsstukken ter beschikking worden gehouden van de Administratie (zie Koninklijk besluit van 28 april 2019 tot wijziging van het KB/WIB 1992 met betrekking tot de aanvraag tot verrekening en de terugbetaling van de roerende voorheffing op de in artikel 21, eerste lid, 14°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde eerste schijf van dividenden, BS 9 mei 2019) :

• de naam van de vennootschap die de dividenden heeft toegekend;

• het brutobedrag van de dividenden;

• voor de aan de PB onderworpen belastingplichtigen, desgevallend, het land van oorsprong van de dividenden en het bedrag van de buitenlandse belasting;

• het tarief van de RV, desgevallend, voor de belastingplichtigen onderworpen aan de BNI, rekening houdende met verminderingen op grond van een verdrag tot vermijden van dubbele belasting;

• het bedrag van de ingehouden RV, desgevallend opgesplitst per tarief;

• wat de inkomsten van Belgische oorsprong betreft, de datum waarop de dividenden door de vennootschap zijn betaald of toegekend;

• de datum waarop de dividenden door de belastingplichtige zijn geïnd.

Om de ingehouden roerende voorheffing te recupereren moet u dit vragen in de aangifte personenbelasting. Dit doet U door in Vak VII de code 1437-18 en/of de code 2437-85 van de aangifte, de ingehouden roerende voorheffing van de vrijgestelde dividenden te vermelden. Dit betekent concreet dat voor de aangifte 2018 er maximaal 192 euro (= 640 euro x 30%) kan ingevuld worden. De hoogte hangt dus af van o.a. het tarief roerende voorheffing, maar u mag de vrijstelling voor de dividenden met het hoogste tarief aan betaalde roerende voorheffing vermelden. Deze roerende voorheffing zal verder verrekend worden met de verschuldigde personenbelasting en desgevallend terugbetaald worden.

TWEEDE VERMINDERING VAN ROERENDE VOORHEFFING (VVPRbis)

Zoals vermeld, bedraagt het tarief roerende voorheffing op een dividend in principe 30 %. Daarnaast bestaat er, onder strikte voorwaarden, een verlaagd tarief roerende voorheffing van 15 %.

Wat zijn zoal de belangrijkste voorwaarden om het gunstig tarief van de 15 % roerende voorheffing (of personenbelasting) te genieten (VVPRbis):

●         het tarief van 15 % roerende voorheffing is enkel van toepassing voor de zogenaamde KMO’s (éénmaal te toetsen nl. op moment van inbreng)

●         de inbreng in kapitaal (hetzij n.a.v.de oprichting hetzij n.a.v. een kapitaalsverhoging) dient in geld te gebeuren en niet in natura (vanaf 1 juli 2013). Let wel deze inbreng mag ook niet afkomstig zijn van de uitkering van belaste reserves die worden omgezet in kapitaal in het kader van de overgangsregeling wat de 10 % roerende voorheffing betreft (de incorporatie van reserves). M.a.w., in een verbod van cumul van deze twee stelsels werd door de wetgever voorzien;

●         in ruil voor de inbreng moeten aandelen op naam (dus gedematerialiseerde aandelen bij de nv of comm.va komen niet in aanmerking) worden uitgegeven. Deze aandelen mogen op geen enkel wijze enig voordeel genieten. Dus het mogen geen preferente aandelen zijn;

●         de inbreng moet ervoor zorgen dat er een minimumkapitaal wordt gevormd van 18.550,00 euro (volstort). Maar gezien de wijziging van het vennootschapsrecht is er voortaan geen kapitaal(vereiste) meer van toepassing (bij de BV). Het minimumkapitaal van 18.550,00 euro van de BV (toenmalige BVBA) zoals we dat al jaren kennen, werd dus afgeschaft;

●         de aandelen moeten ook ononderbroken in volle eigendom worden aangehouden tijdens de periode van de inbreng enerzijds en het moment van de dividendtoekenning. Wel werd er door de wetgever in een aantal uitzonderingen voorzien zoals bij neutrale herstructureringen (fusies en splitsingen). Ook sommige familiale planningen zijn mogelijk. De overdracht, in rechte lijn of tussen echtgenoten, van de aandelen wordt evenmin geacht te hebben plaatsgehad voor de toepassing van de voorwaarde van volle eigendom wanneer die overdracht het gevolg is van een wettelijke erfopvolging of een erfopvolging op een wijze die gelijkaardig is aan de wettelijke erfvolging of een ascendentenverdeling die geen afbreuk doet aan het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot;

●         Let wel dat om het verlaagd tarief van 15 % te kunnen genieten er in een wachtperiode werd voorzien nl. het tarief blijft 15 % voor de dividenden die werden verleend of toegekend vanaf het derde boekjaar na dat van de inbreng. Het tarief wordt 20 % wanneer het dividend verleend of toegekend wordt in het tweede boekjaar na dat van de inbreng.

Voorbeeld:

De inbreng in geld gebeurde in het boekjaar 2017

  • dividend over boekjaar 2017 (algemene vergadering 2018): 30 %
  • dividend over boekjaar 2018 (algemene vergadering 2019): 30 %
  • dividend over boekjaar 2019 (algemene vergadering 2020): 20 %
  • dividend over boekjaar 2020 (algemene vergadering 2021): 15 %

Een vraag die in de praktijk vaak gesteld werd, is of het tarief van 15 % (VVPRbis) ook van toepassing is wanneer de dividenduitkering bestaat uit gereserveerde winsten van voorheen (in ons voorbeeld winsten van vóór het boekjaar 2019) of moet alsnog het tarief van 30% en 20% betaald worden?

Dankzij een antwoord van de Minister op een parlementaire vraag van de heer Van Biesen komt daar nu een duidelijk antwoord op. Het 15 %-tarief is niet enkel van toepassing op de uitgekeerde winst van het derde boekjaar en volgende, maar evenzeer op de reserves/overgedragen winst van voorheen die in het derde boekjaar en/of volgende uitgekeerd worden.

DERDE VERMINDERING VAN ROERENDE VOORHEFFING (VVPRter)

Er werd verder ook door de wetgever in specifieke antimisbruikbepalingen voorzien, die in de praktijk wel eens vergeten worden, maar waar we verder niet op ingaan.

Daarnaast bestaat ook de zogenaamde liquidatiereserve (VVPRterstelsel).

Kort samengevat betekent dit dat KMO-apotheekvennootschappen (dus ook hier is de kmo-definitie van belang, maar deze toetsing zal telkens moeten gebeuren bij de aanleg van de liquidatiereserve) hun belaste winst (of een gedeelte ervan) zullen kunnen reserveren door deze te “parkeren” op een passiefrekening (de zogenaamde “liquidatiereserve” of VVPRter).

Dit zal gebeuren aan een taxatie van 10 % (anticipatieve heffing (VenB)). Het toekomstig dividend, afkomstig uit deze reserves, zal na verloop van vijf jaar kunnen worden uitgekeerd aan een aanvullend verlaagd tarief roerende voorheffing van slechts 5 %. Wacht u echter tot de liquidatie van deze apotheekvennootschap, dan zal er helemaal geen bijkomende heffing aangerekend worden. Kan u geen 5 jaar wachten (en het betreft geen liquidatie) dan is het tarief 20 % roerende voorheffing (liquidatiereserves aangelegd voor 1 januari 2017 : 17%)  i.p.v. 5 %. Het betreft hier ook een zogenaamd FIFO-systeem, of m.a.w., de eerst aangelegde liquidatiereserve wordt geacht eerst uitgekeerd te worden, wat ongetwijfeld in het voordeel is van de aandeelhouder.

Dus VVPRbis is niet hetzelfde als VVPRter …

Er is immers een aanmerkelijk verschil tussen het VVPRter- en het VVPRbis- stelsel.

Het toepassingsgebied van het VVPRbis is immers beperkter:

●         cruciale datum 1 juli 2013;

●          kmo-toets moet hier wel éénmaal gemaakt worden (bij het VVPRter telkens bij de aanleg);

●         beperkte overdrachtmogelijkheden van de aandelen;

●         wachttermijn respecteren die echter wel korter is dan bij de liquidatiereserve;

●         minimaal kapitaal is noodzakelijk (18.550 euro) doch werd afgeschaft;

●         (…)

Voor het VVPRter stelsel zal de apotheekvennootschap een bepaalde opgave moeten toevoegen aan de aangifte Vennootschapsbelasting.

Besluit

Dividenduitkeringen ‘zitten in de lift’. De combinatie van de verlaagde vennootschapsbelasting met de lage roerende voorheffing maakt dat een dividenduitkering vandaag een interessante vorm is om gelden aan de apotheekvennootschap (of andere KMO-vennootschap) te onttrekken. De voorwaarden moeten in de gaten gehouden worden, maar is in de praktijk veelal geen probleem.

Voor de aangifte van het boekjaar 2018 is de kers op de taart dat er bijkomend een vrijstelling is op een eerste schijf van dividenden van 640 euro per belastingplichtige wat in totaal een bedrag van 384 euro (voor een koppel) kan opleveren. Niet vergeten dus …

Marc Gielis – Expert Van Breda Advisory – Belastingconsulent bij Bank J.Van Breda & C° NV