HERVORMING HUWELIJKSVERMOGENSRECHT

HERVORMING HUWELIJKSVERMOGENSRECHT

De hervorming van het huwelijksvermogensrecht

Inhoud

DEEL 1

Voorwoord. 1

  1. Het verfijnen van het wettelijk STELSEL: 2

1.1        Het kwalificeren van de goederen. 3

1.2        Huwelijksvermogensrechtelijke neutraliteit van de beroepsuitoefening via een vennootschap  5

  1. Betere wettelijke omkadering van het stelsel van scheiding van GOEDEREN: 6

2.1        Bepaalde maatregelen uit een gemeenschapsstelsel toepassen in stelsels van scheiding van goederen. 6

2.2        Een rechterlijke billijkheidscorrectie. 7

2.3        Een toegenomen informatieplicht van de notaris. 7

DEEL 2

  1. Verbetering va de positie van de langstlevende echtgenoot in het huwelijksvermogensrecht en het ERFRECHT: 7

3.1        De afschaffing van het onderscheid in erfrecht naargelang het gekozen huwelijksvermogensstelsel: 8

3.2        De erfgerechtigden in de vierde orde verliezen hun erfrechtelijke roeping in samenloop met de langstlevende echtgenote/echtgenoot; 9

3.3        De mogelijkheid om de langstlevende echtgenote te onterven in nieuw samengestelde gezinnen  9

  1. VARIA: 9

4.1        Bij een voorhuwelijkse gezamenlijke aankoop van een onroerend GOED,  mogelijkheid tot anticipatieve inbreng. 10

4.2        De afschaffing van het verbod op een verkoop tussen echtgenoten. 10

  1. Besluit

DEEL 1

Voorwoord

De laatste maanden kwam de hervorming van ons erfrecht regelmatig en uitgebreid in de pers aan bod (zie ook vorige nummer AFT). We zouden hierdoor mogelijks nog vergeten dat ook het huwelijksvermogensrecht (op sommige punten zelfs ingrijpend) gewijzigd is en dit ook met ingang van 1 september 2018. De laatste grote hervorming van het huwelijksvermogensrecht dateert immers van 1976. M.a.w. ook hier werd het tijd de nodige wijzigingen aan te brengen en af te stemmen op een aantal maatschappelijke behoeftes.

Vermits erfrecht en huwelijksvermogensrecht hand in hand gaan, vermelden we in dit artikel een aantal zaken die van belang kunnen zijn.

De bedoeling van de wetgever bij deze hervorming was drieërlei nl. ten eerste een aantal onduidelijkheden uit de wereld te helpen door het zogenaamd wettelijk huwelijksstelsel op een aantal zaken aan te passen en te verfijnen. Daarnaast wou hij ook het stelsel van scheiding van goederen op een aantal zaken aanpassen om zo de ‘hardheid’ van het stelsel enigszins te verzachten. En als derde tenslotte, de positie van de langstlevende echtgenoot in het huwelijksvermogensrecht en het erfrecht te verbeteren.

1.       Het verfijnen van het wettelijk STELSEL:

Zoals vermeld was het wettelijk stelsel niet altijd duidelijk en creëerde het een mogelijke bron tot discussie. Meer bepaald het statuut van bepaalde vermogensbestanddelen was er zo één van. Behoorde een bepaald vermogensbestanddeel nu tot het eigen vermogen van één van de partners of behoorde het tot het gemeenschappelijk vermogen? Dat dit een aanzienlijk verschil kan uitmaken bij de verdeling na een echtscheiding behoeft verder weinig bijkomende commentaar.

Bij het wettelijk stelsel (= stelsel van scheiding van goederen met gemeenschap van aanwinsten) kennen we drie vermogens:

  • het eigen vermogen van de man;
  • het eigen vermogen van de vrouw;
  • het gemeenschappelijk vermogen.

Wat behoort o.a. tot het eigen vermogen van één van de huwelijkspartners?

  • die goederen die men reeds bezat van vóór het huwelijk;
  • die goederen die men geërfd of geschonken heeft gekregen tijdens het huwelijk;
  • alle wederbeleggingen van eigen vermogen;
  • strikt persoonlijke goederen en accessoria;
  • de eigen schulden zijn o.a. de schulden die dateren van voor het overlijden, de schulden aangegaan in het uitsluitend belang van het eigen vermogen, …

Wat behoort zoal tot het gemeenschappelijk vermogen van de huwelijkspartners?

  • de beroepsinkomsten;
  • alle inkomsten uit eigen vermogen (vb. dividend van een ‘eigen’ apotheekvennootschap – zie verder);
  • die goederen waarvan niet kan bewezen worden dat ze behoren tot het eigen vermogen (vermoeden);
  • alle wederbeleggingen van gemeenschappelijk vermogen;
  • de niet eigen schulden die dan op hun beurt gemeenschappelijk schulden zijn.

De wijzigingen die zich n.a.v. de hervorming hier voordoen zijn:

1.1       Het kwalificeren van de goederen

(opdeling in ‘titre’ (dit is het eigendomsrecht) en ‘finance’ (dit is de vermogenswaarde).

Dit kenden we vroeger ook reeds in welbepaalde gevallen bv. bij uitkeringen van schade- en arbeidsongevallenvergoedingen, maar wordt door deze nieuwe wet nu verder verfijnd.

Voortaan wordt er een onderscheid gemaakt tussen de hoedanigheid van een goed (dit is de titularis (van het recht) wat ‘eigen’ is) en de vermogenswaarde van een goed (dit is de vermogenswaarde wat ‘gemeenschappelijk’ is).

Of nog samengevat het ‘recht’ is eigen van die echtgenoot waarmee de zogenaamde verknochtheid bestaat. Bijkomend kan hij/zij erover handelen als eigenaar. Bij een latere ontbinding van het huwelijk (vb bij een echtscheiding) zullen deze goederen (activa) dus niet dienen verdeeld te worden. De ‘vermogenswaarde’ daarentegen behoort wel onmiddellijk tot het gemeenschappelijk vermogen en zal dan ook logischerwijze wel moeten worden verdeeld.

Deze regel is voortaan van toepassing op:

  • Aandelen in een “besloten” vennootschap of een vennootschap waarin slechts één van de echtgenoten professioneel actief is als zaakvoerder/bestuurder (denken we maar aan een klassieke apotheekBVBA). Dit wanneer de aandelen voor minstens de helft verworven werden met gemeenschappelijk vermogen en de aandelen ingeschreven zijn op naam van die (actieve) echtgenoot. Dus het valt hier ook op dat wanneer beide huwelijkspartners bedrijfsleider (bestuurder of zaakvoerder) zijn, de opdeling in ‘titre’ en ‘finance’ niet opgaat. Dus toch niet onbelangrijk …

Eenvoudig voorbeeld

Jan en Marleen zijn gehuwd onder het wettelijk stelsel. Jan heeft een apotheekvennootschap (BVBA) opgericht tijdens het huwelijk en de aandelen van deze BVBA staan volledig op zijn naam. Maar de apotheekBVBA werd wel opgericht met gemeenschapsgelden. Hier zal bij een echtscheiding een opdeling in ‘titre’ en ‘finance’ plaats vinden. De zogenaamde lidmaatschapsrechten (dit geeft een deelnamerecht aan de algemene vergadering, het stemrecht, enz …) zijn eigen aan Jan. De vermogenswaarde (waarde van de aandelen) daarentegen behoort dan weer tot het gemeenschappelijk vermogen (dus voor de helft voor Marleen).

  • De beroepsgoederen aangewend uitsluitend voor de uitoefening van het beroep dat door één van de echtgenoten wordt uitgeoefend.
  • Het cliënteel opgebouwd tijdens het huwelijk door één van de huwelijkspartners.

Voor de wetswijziging vertelde ons Burgerlijk wetboek dat ‘gereedschappen en werktuigen die dienen tot het uitoefenen van het beroep’ ‘eigen’ zijn en dit mits vergoeding. Voorbeeld: men kocht een nieuw toestel, maar het werd betaald met gelden uit het gemeenschappelijk vermogen. Het toestel was eigen doch er diende een verrekening te gebeuren omdat dit betaald werd met gelden die behoorden tot het gemeenschappelijk vermogen.

Probleem : wat zijn nu zoal gereedschappen en werktuigen? Moeilijke vraag die niet altijd eenvoudig te beantwoorden was. Vandaar de wetswijziging. Voortaan wordt er over ‘beroepsgoederen’ gesproken. Dit begrip is immers ruimer dan voorheen (enkel roerende goederen) want een onroerend goed bijvoorbeeld is geen werktuig maar kan wel een beroepsgoed uitmaken.

Of nog een voorbeeld betreft het cliënteel van de apotheek: de rechtspraak en rechtsleer die dit als een ‘gereedschap en werktuig’ aanvaardde, wordt nu dus opgenomen in de wet om verdere discussies te vermijden.

De waarde van voormelde aandelen, beroepsgoederen en cliënteel, behoort nu tot het gemeenschappelijk vermogen, Let wel dat wanneer er een opdeling in ‘titre’ en ‘finance’ dient te gebeuren door enkel de vermogenswaarde in de te verdelen massa op te nemen, dat het voortaan de vermogenswaarde is op de datum van de ontbinding van het huwelijk en niet langer op datum van verdeling. Dit betekent concreet dat een waardestijging (of daling) die zich nog zou voordoen na de ontbinding geen impact meer heeft in de te verdelen massa.

Het regelen van het huwelijksvermogensrechtelijk statuut van individuele levensverzekeringen

  • (let wel, niet voor de tweede pijlerpensioenen zoals IPT’s of groepsverzekeringen)

 Hierop gaan we niet in detail in en vermelden we enkel een korte samenvatting. De wetgever heeft hiermee een einde willen stellen aan de jarenlange discussie of zulk een verzekering nu een ‘eigen’ of ‘gemeenschappelijk’ goed betrof en/of er een vergoeding verschuldigd was aan het gemeenschappelijk vermogen wanneer het een eigen goed zou zijn.

Samenvatting (bron Kluwer):

  • De verzekerde prestatie is niet verschuldigd bij de ontbinding van het stelsel:
    • De vorderbare netto-afkoopwaarde behoort op het moment van de ontbinding van het stelsel tot het eigen vermogen. Mits vergoeding indien de premies met gemeenschapsgelden werden betaald.
  • De verzekerde prestatie is wel verschuldigd bij de ontbinding van het stelsel:
    • De verzekerde prestatie behoort tot het eigen vermogen, mits vergoeding, wanneer de langstlevende echtgenoot de levensverzekering in zijn eigen voordeel heeft afgesloten.

De verzekerde prestatie is ook eigen, maar dan zonder vergoeding, als het gaat om een individuele levensverzekering die de overleden echtgenoot heeft gesloten in het voordeel van de andere echtgenoot.

  • Gebeurt de uitkering tijdens het huwelijk dan komt de uitkering van de verzekerde prestatie in het gemeenschappelijk vermogen als de premies voor minstens de helft zijn betaald met gemeenschapsgelden. Eventueel mits vergoeding aan het eigen vermogen in de mate waarin de premies met eigen gelden werden betaald.

1.2       Huwelijksvermogensrechtelijke neutraliteit van de beroepsuitoefening via een vennootschap

 Het probleem doet zich voor op de volgende casus. Stel mijnheer richt een vennootschap op tijdens het huwelijk doch hij doet dit met eigen vermogen (vb een geldsom die hij geërfd of geschonken heeft gekregen). Hij keert zich een minimale bezoldiging uit en pot alle reserves op in deze vennootschap (zogenaamde ‘oppotvennootschap’). M.a.w. er wordt ook nooit een dividend uitgekeerd. Bij een echtscheiding staat mevrouw er niet goed voor want de aandelen (die ondertussen heel veel waard (kunnen) zijn) behoren tot het eigen vermogen van mijnheer en dus komt de waarde enkel hem toe. En mevrouw krijgt niets.

Dit verandert …

Voortaan heeft mevrouw de mogelijkheid een vergoeding te vorderen voor de huwelijksgemeenschap. Namelijk van de netto-beroepsinkomsten die het gemeenschappelijk vermogen niet heeft ontvangen en redelijkerwijze had kunnen ontvangen wanneer de apotheek niet d.m.v. een eigen vennootschap werd uitgeoefend.

Kortom het is niet langer mogelijk beroepsinkomsten verworven tijdens het huwelijk aan het gemeenschappelijk vermogen te onttrekken d.m.v. het slim/sluw opzetten van een vennootschapsstructuur.

Opgelet: de wet is van toepassing op wie al gehuwd was op 1 september 2018. Enkel voor die echtgenoten die vóór 1 september 2018 aan het scheiden waren bestaat er een uitzondering.

2.       Betere wettelijke omkadering van het stelsel van scheiding van goederen:

De wijzigingen hier doen zich voor op de volgende vier niveaus:

2.1       Bepaalde maatregelen uit een gemeenschapsstelsel toepassen in stelsels van scheiding van goederen.

Dit heeft betrekking op de huwelijksvoordelen, de preferentiële toewijzing van de gezinswoning en beroepsgoederen en de heling. Het regime van de huwelijksvoordelen is ook van toepassing in stelsels van scheiding van goederen.

Huwelijksvoordelen zijn voordelen die tussen echtgenoten worden toegekend via één of meerdere bedingen opgenomen in het huwelijkscontract (bv een verblijvingsbeding, keuzebeding ed).  Zij worden voortaan in alle stelsels beschouwd als zijnde ten bezwarende titel en niet als een schenking, zodat zij in beginsel niet kunnen worden ingekort. M.a.w. de theorie van de huwelijksvoordelen zoals we deze kennen in een gemeenschapsstelsel wordt nu wettelijk verankerd voor het stelsel van scheiding van goederen (hierover bestond vroeger ook onzekerheid of dit wel mogelijk is).

Een wettelijke omkadering van de correcties op de zuivere scheiding van goederen (beding van verrekening van aanwinsten) om zo vaak de hardheid van het stelsel te verzachten.

Of anders gezegd van een ‘zuivere’ scheiding van goederen overstappen naar een ‘mildere’ scheiding van goederen. Dit kan gerealiseerd worden door de invoering in het huwelijkscontract van een vorm van solidariteit. Voortaan zal het mogelijk zijn een beding van verrekening (dit van de aanwinsten) in te voeren. Hierdoor blijft elke partner zijn/haar vermogen behouden maar bij een echtscheiding zal er een afgesproken verdeling moeten plaats vinden. Let wel dit is geen verplichting. Voor wie hiervoor niet kiest blijven de regels van de zuivere scheiding van toepassing.

Eenvoudig voorbeeld:

Luk en Martine zijn zonder vermogen gehuwd. Het huwelijk loopt ondertussen niet meer zo goed en het komt tot een onoverkomelijke echtscheiding. Luk heeft op dat moment een vermogen van 1.600.000 euro en Martine heeft een vermogen van 400.000 euro. Schulden heeft geen van beide.

Zij zijn/waren echter gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen, doch hebben zulk een beding van verrekening van de aanwinsten opgenomen in hun huwelijkscontract. Zij spraken af om de aanwinsten 50/50 te verdelen.

Verrekening tussen beide vermogens:

(Netto)aanwinsten Luk: 1.600.000 euro

(Netto)aanwinsten Martine: 400.000 euro

Verschil tussen beide aanwinsten = 1.200.000 euro

Verrekenvordering van Martine op Luk bedraagt dan ook:                                                                                  1.200.000 euro/2 = 600.000 euro

Zodoende bezit ieder 1.000.000 euro.

2.2       Een rechterlijke billijkheidscorrectie

In het huwelijkscontract kan men een facultatieve billijkheidscorrectie (dit bij het ontbreken van enige vorm van solidariteit in het huwelijkscontract) opnemen waarbij de rechter dan een bepaalde (geplafonneerde tot 1/3de van de aanwinsten) vergoeding kan toekennen aan deze echtgenoot. De keuze om deze billijkheidscorrectie al dan niet toe te passen, dient uitdrukkelijk in het huwelijkscontract te worden opgenomen. Dit beding wordt uitsluitend toegepast in geval van onvoorziene en ongunstige wijzigingen die zich sinds het sluiten van het huwelijkscontract van scheiding van goederen hebben voorgedaan. Wijzigingen die ervoor zorgen dat één van beide echtgenoten (de verzoekende partij) er ondertussen zeer nadelig van afkomt. Denken we maar de veel voorkomende gevallen waarbij één van beide echtgenoten tijdens het huwelijk weinig of geen vermogen wist op te bouwen omdat hij/zij de beroepsactiviteiten heeft gestopt omwille van een ernstig medisch probleem of omdat deze partner de zorg voor het huishouden en de kinderen op zich heeft genomen. In zulke gevallen kan deze rechterlijke billijkheidscorrectie zijn voordeel bieden voor de benadeelde huwelijkspartner.

2.3       Een toegenomen informatieplicht van de notaris

De notaris moet voortaan een aantal zaken verplicht ter sprake brengen nl dat het mogelijk is solidariteit in te bouwen in een stelsel van scheiding van goederen. Zo kunnen de echtgenoten een weloverwogen goede keuze maken en dit met kennis van zaken. De notaris moet hen ook informeren over de concrete gevolgen bij een relatiebreuk en de mogelijke correcties.

DEEL 2

3.       Verbetering va de positie van de langstlevende echtgenoot in het huwelijksvermogensrecht en het erfrecht:

Hier zijn ook een aantal wijzigingen opgetreden die niet onbelangrijk zijn.

3.1       De afschaffing van het onderscheid in erfrecht naargelang het gekozen huwelijksvermogensstelsel:

Waar zat het probleem?

Wie huwde onder een ‘gemeenschapsstelsel’ en één van beide sterft (geen kinderen) dan verwerft de langstlevende het aandeel van de erflater in het gemeenschappelijk vermogen in volle eigendom + het eigen vermogen erflater in vruchtgebruik

Indien gehuwd onder een ‘stelsel van scheiding van goederen’ en één van beide sterft (zonder kinderen) dan verwerft de langstlevende het eigen vermogen van de erflater in vruchtgebruik.

De gevolgen hiervan kunnen zeer belangrijk zijn. Stel u voor dat Luk en Martine (geen kinderen) huwden onder het stelsel scheiding van goederen, niets regelden omdat zij het belang er nog niet van inzagen gezien hun jonge leeftijd, een apotheek(vennootschap) uitbouwden waarbij alle aandelen op naam van Luk staan en plots … overlijdt Luk.

Gevolg: Martine zal het moeten stellen met het vruchtgebruik op het eigen vermogen (in casu de aandelen) van Luk. Voor Martine waren m.a.w. de financiële gevolgen niet min. Zij diende tevreden te zijn met het vruchtgebruik op de aandelen van de apotheekvennootschap. De blote eigendom van deze aandelen gaat naar broers/zusters/ouders … van Luk!

Wanneer zij daarentegen huwden onder het wettelijk stelsel dan waren de aandelen van de apotheek voor 100% van Martine. Toch niet onbelangrijk! Het is wel zo dat aan deze situatie kon verholpen worden door bijvoorbeeld de opmaak van een testament of beding van aanwas of een schenking enz. … maar dit wordt in de praktijk vaak vergeten. Ten onrechte …

Maar de wetgever komt in sommige gevallen ter hulp door de langstlevende echtgenote (in casu Martine), ongeacht het gekozen huwelijksvermogensstelsel, de volle eigendom te laten erven van het vermogen dat men (exclusief) samen heeft opgebouwd (enkel in geval van samenloop met andere erfgenamen dan de afstammelingen van de erflater). Samen opgebouwd betekent hier het vermogen dat men exclusief in onverdeeldheid bezit.

Let op wat in ons voorbeeld alsnog een probleem is, m.a.w. met de nieuwe wet blijft Martine er zeer slecht vanaf komen (want de aandelen staan enkel op naam van Luk en zijn dus geen onverdeeld vermogen). Actie nemen blijft hier dus een noodzaak!

Eenvoudig voorbeeld: Els en Jan zijn gehuwd onder scheiding van goederen. Zij hebben geen kinderen. De beide ouders van Els leven nog. Els heeft een beleggingsportefeuille (enkel op haar naam) en heeft samen met Jan een appartement (in onverdeeldheid).

Els sterft …

De toebedeling van de nalatenschap gebeurde / gebeurt:

Vóór de wijzigingen:

Jan erft het vruchtgebruik op (de helft) van het appartement en van de     ganse

portefeuille – de ouders van Els erven de blote eigendom op het appartement en de portefeuille

Vanaf de wijzigingen:

Jan erft de portefeuille in vruchtgebruik en de woning in volle eigendom – de ouders van Els erven de portefeuille in blote eigendom.

3.2       De erfgerechtigden in de vierde orde verliezen hun erfrechtelijke roeping in samenloop met de langstlevende echtgenote/echtgenoot;

Naast wat hierboven reeds werd vermeld verliezen erfgerechtigden van de vierde orde (dit zijn de andere erfgenamen dan de kinderen, de grootouders, de ouders, broers en/of zussen en hun kinderen) hun erfrechtelijke roeping in samenloop met de langstlevende echtgenoot.

3.3       De mogelijkheid om de langstlevende echtgenote te onterven in nieuw samengestelde gezinnen

de zogenaamde Valkeniersclausule wordt uitgebreid)

Voortaan wordt het mogelijk de langstlevende partner bijkomend te onterven wanneer één van de echtgenoten kinderen uit een eerdere relatie heeft (de Valkeniersclausule). Vóór de wetswijziging was het niet mogelijk om de langstlevende het vruchtgebruik van de gezinswoning en de huisraad/inboedel te ontnemen. Voortaan kunnen de echtgenoten in hun huwelijkscontract of wijzigingsakte overeenkomen om de langstlevende echtgenote wél het vruchtgebruik op deze gezinswoning en huisraad/inboedel te ontnemen. Let wel om deze persoon niet zomaar op straat te doen belanden kan deze langstlevende wel tijdens een overgangsperiode van 6 maanden, vanaf het overlijden, gebruik maken van de mogelijkheid om deze gezinswoning te mogen blijven bewonen en dus ook de huisraad/inboedel evenzeer te mogen gebruiken.

4.       VARIA:

Naast hetgeen reeds vermeld werd , zijn er nog een aantal zaken die gewijzigd zijn en de moeite zijn om kort te vermelden:

4.1       Bij een voorhuwelijkse gezamenlijke aankoop van een onroerend GOED,  mogelijkheid tot anticipatieve inbreng

De wetgever wil tegemoetkomen aan een maatschappelijk gegeven. Hoe vaak komt het niet voor dat koppels voor het huwelijk gezamenlijk een woning aankopen die later in de huwelijksgemeenschap dient te worden ingebracht. Dit is een vaak voorkomend gegeven. Mensen kopen immers ook alsmaar jonger een onroerend goed aan (cfr media oktober 2018) en later wanneer zij toch beslissen te huwen (bv omwille van een gezinsuitbreiding), wensen zij deze woning in te brengen in de huwelijksgemeenschap.

Deze transactie kan voortaan eenvoudiger en dus met minder kosten tot gevolg.  Opgelet het is wel vereist dat elk van de partners eigenaar is van de helft in volle eigendom van het onroerend goed (dus bv geen 40% – 60% verdeling en ook geen vruchtgebruik/blote eigendomsverdeling).

Voortaan is het mogelijk dat deze partners in de aankoopakte van het onroerend goed reeds een zogenaamde ‘anticipatieve inbreng’ voorzien.  Deze anticipatieve inbreng resulteert erin dat wanneer zij later huwen dit onroerend goed automatisch tot het gemeenschappelijk vermogen gaat behoren (tenzij de echtgenoten hierop terugkomen in hun huwelijkscontract). Zo vermijdt men dus een tweede bezoekje (nl de aankoop én de opmaak van het huwelijkscontract) bij de notaris.

4.2       De afschaffing van het verbod op een verkoop tussen echtgenoten

Een verkoop tussen echtgenoten, behoudens wettelijke uitzonderingen, was verboden (zie art. 1595 BW). Dit verbod is achterhaald en wordt dan ook afgeschaft.

5.       Besluit

De wijzigingen m.b.t. het huwelijksvermogensrecht zijn bij velen wat vergeten geraakt omwille van het gewijzigde erfrecht. Neemt niet weg dat de doorgevoerde hervorming bijzonder belangrijk is. Niet in het minste voor veel ondernemers (apothekers) of vrije beroepen waar met vennootschappen wordt gewerkt. Het is dan vaak ook geen overbodige luxe sommige zaken terug tegen het licht te houden. Dit zowel uit civielrechtelijk standpunt als vanuit fiscaal standpunt. Huwelijksvermogensrecht, erfrecht en fiscaal recht zijn in deze drie takken van het recht die met mekaar verbonden zijn. De praktijk leert echter dat bij veel personen dit onvoldoende geweten is of nog bij velen wordt de volgorde (veelal ten onrechte) anders opgesteld. Uw vertrouwenspersoon (accountant, notaris, advocaat, bankier, …) kan u hierbij ongetwijfeld verder ook adviseren …

Marc Gielis – Verantwoordelijke fiscaal en patrimoniaal advies – Expert Van Breda Advisory – Belastingconsulent bij Bank J.Van Breda & C° NV