Verhuring Officina - opgepast!


APOTHEEKVERGUNNING - opgepast het de roerende verhuur

APOTHEEKGOODWILL

Meer en meer betwist de FOD-Financiën het roerend karakter van de inkomsten die U als apotheker ontvangt ingevolge het verhuren van het recht op uitbating van een officina aangezien het cliënteel, aldus de fiscus, niet het voorwerp kan uitmaken van een huurovereenkomst. Aangezien de roerende verhuring zeer gunstig wordt belast heeft dit de bijzondere aandacht van de fiscus.

Hij verwijst naar het arrest van het Hof van Cassatie van 19 september 2013 en de hierop volgende rechtspraak en rechtsleer.

Kader – DE ROERENDE INKOMSTEN

Roerende inkomsten zijn een apart onderdeel in de personenbelasting. Deze inkomsten staan naast de onroerende, de diverse en de beroepsinkomsten.

Krachtens artikel 37 WIB92 echter, verkrijgen deze roerende inkomsten het karakter van beroepsinkomsten.

Artikel 37, WIB 92

Onverminderd de toepassing van de voorheffingen, worden inkomsten van onroerende goederen en van roerende goederen en kapitalen als beroepsinkomsten aangemerkt wanneer die goederen en kapitalen worden gebruikt voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid van de verkrijger van de inkomsten.

…….

Een apotheker beslist zijn activiteit verder te zetten in vennootschapsvorm en besluit te dien einde alles wat daarvoor nodig is ter beschikking te stellen van een vennootschap, die daarvoor een huur betaalt. Het doel van de apotheek is in hoofdzaak het uitbaten van een apotheek.

Een arrest van het Hof van Cassatie van 19 september 2013, bepaalt dat een cliënteel niet het voorwerp kan zijn van een huurovereenkomst. Het Hof verwijst naar artikelen van het Burgerlijk Wetboek (art. 1709 en 1719, 3°) en stelt meer bepaald vast dat een van de voorwaarden erin bestaat dat de verhuurder “het rustig huurgenot verschaft van het gehuurde goed”. Aangezien de verhuurder dit niet kan, aldus het Hof, aangezien het cliënteel vrij is zich tot een andere ondernemer dan de huurder (“apotheekvennootschap”, eigen invoeging) te wenden, gaat het niet om roerende verhuring en is aldus de verhuring van een cliënteel niet mogelijk.

Binnen dit kader heeft het geen zin de volledige ontleding te maken van het arrest zelf, maar weet dat het in casu ging om de verhuring van een nominatieve klantenlijst van een zakenkantoor dat voorheen door een feitelijke samenwerking tussen partners werd uitgebaat.

Is er dan een verschil met de verhuring van een apotheekcliënteel?

Meestal zal de apotheker eenmanszaak die belastbaar is in de personenbelasting als beroepsinkomen zijn persoonlijke activiteiten stopzetten en zijn apotheekuitbating ofwel verhuren, verkopen of inbrengen in een specifiek daarvoor opgerichte vennootschap. Het spreekt voor zich dat de huidige problematiek zich beperkt tot de verhuur van de uitbating.

Het is duidelijk dat de vennootschap die huurt daardoor de verplichting op zich neemt om de bestaande uitbating als goed huisvader verder uit te baten.

Bovendien is de verhuring van de uitbating van de apotheek absoluut niet gebonden aan een nominatieve lijst van cliënten, integendeel het gaat om de verhuur van het recht op uitbating van een apotheek, in dit geval “vergunning” genaamd. Deze uitbating beperkt zich zelfs niet tot de vergunning (APB/RIZIV), maar impliceert tevens de handelsbenaming, de vestiging, de formules, de knowhow e.d.m.

Het staat dus vast dat het ter beschikking gestelde roerend goed vooral bestaat uit een geheel van elementen die de huurder toelaat de goodwill, waaronder het cliënteel, minstens te behouden én desgevallend uit te bouwen en aldus opbrengsten te behouden en/of te verwerven.

Tevens zal het zaak zijn, bij de verhuring van de apotheekrechten, zowel voor het verleden als voor de toekomst, alles zodanig te onderbouwen dat het wel degelijk gaat om een “verhuring van een handelsfonds en/of een vergunning” en dus liever niet een cliënteel, met daarbij de bedenking dat, liever dan het vermoeden van passieve huur uit te lokken, in weerlegging van artikel 1709 van het BW, er wel degelijk een actieve huuruitbatingsverplichting wordt bedongen. Dit laatste impliceert een reëel engagement van de huurder om bijvoorbeeld personeel aan te nemen, verzekeringen af te sluiten, zich met het FAGG en/of de orde te conformeren enz…

De fiscus argumenteert bovendien, bij het taxeren van de huur als beroepsinkomsten, dat er niet zou worden aangetoond dat er door de huurder zelf een poging wordt gedaan om een eigen vergunning aan te vragen. Het spreekt voor zich dat deze stelling onterecht is aangezien er totaal voorbijgegaan wordt aan de reglementering inzake de vestigingsstop voor apotheken.

Wat nu verder?

Ook het Hof van Beroep te Gent, meer bepaald in het arrest van 7 januari 2014, bevestigt het besproken arrest van het Hof van Cassatie. De toekomst zal uitwijzen, ondermeer door de rechtsleer of deze rechtspraak zal worden volgehouden.

Een andere piste bestaat erin dat er geen sprake meer is van de verhuring, maar wel van het gebruik of de concessie van deze roerende goederen. Dit wil zeggen dat het recht verleend wordt om een goed of een recht uit te baten of er gebruik van te maken. Hier is noch sprake van een eigendomsoverdracht, noch van een passief genot van het gehuurde. Ook deze inkomsten zijn belastbaar als roerend inkomen in de personenbelasting aan het tarief van 25% volgens artikel 171,3° WIB92).

Let op, er mag dus hoegenaamd geen overdracht zijn, anders is de gerealiseerde meerwaarde wél een beroepsinkomen.

Een conclusie dringt zich op:

  1. De FOD-Financiën wenst o.i. ten onrechte de huur die ontvangen wordt voor de verhuur van een officina te herkwalificeren als bedrijfsinkomsten en bevestigt daarmee haar standpunt;
  2. Het gaat echter niet om een passieve huur (art. 1709), maar integendeel een verplichting tot uitbating;
  3. Het gaat om een geheel van elementen, waaronder cliënteel, maar ook knowhow, formules, bedrijfsprocessen, vergunning (KB 1970) enz… Het gaat dan niet om het cliënteel, maar wel om de waarde ervan;
  4. Er zal steeds moeten over gewaakt worden dat het afgesproken huurbedrag “logisch” is en het de toets van de economische realiteit kan doorstaan;
  5. De verhuurder zal de eigen beroepsactiviteiten, althans in dezelfde sector van apotheken, alleszins moeten stopzetten;
  6. Indien kan aangetoond worden dat de inkomsten voortvloeien uit het gebruik of de concessie van het besproken cliënteel/vergunning/uitbating, volgt dit eveneens het tarief van 25%.

Het is onze mening dat de administratie de ontvangen huurgelden slechts kan herkwalificeren in de mate dat zij aantoont dat er een causaal verband bestaat tussen de uitgeoefende werkzaamheid en de betaalde huur, wat niet kan bij de volledige stopzetting van de gelijkaardige activiteit door de verhuurder (artikel 32 WIB92), én indien de administratie bijkomend aantoont dat de roerende goederen worden aangewend voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid van de verhuurder (artikel 37 WIB92), wat hier meestal niet het geval is.

Het is zonder twijfel aan te raden bij het aangaan van nieuwe gelijkaardige engagementen, met kennis van zaken te handelen, om alleszins eventuele dure fiscale gevolgen te vermijden. Het gaat dan over de benaming van de overeenkomt, de gebruikte nomenclatuur, de nadruk op de actieve verhuring (concessie), de daadwerkelijke beëindiging van de gelijkaardige activiteiten van de verhuurder, enz….

Neem gerust contact op indien U nog vragen heeft.

Het Accountancy Kava Team!

Willy

Willy

Accountant-belastingconsulent

Heb je nog vragen hierover? Neem dan zeker contact op met onze klantbeheerders. Let's talk!

Maak gerust een afspraak

Schrijf je ook in voor onze nieuwsbrief.

Op regelmatige tijdstippen publiceert Accountancy Kava een korte nieuwsbrief met actualiteiten, algemene interessante weetjes voor de apotheker of de medische- en paramedische beroepen in het algemeen.

Even geduld aub...

Oeps!

Er ging iets mis bij het verzenden. Probeer je even opnieuw?

Welkom!

Binnenkort krijg je onze nieuwsbrief in je bus.